Noah, het hoofd van de Ilanot school, las tijdens de herdenkingsdienst een gedeelte van het laatste hoofdstuk van De Kleine Prins in het Hebreeuws voor. Later heb ik de Engelse versie opgezocht en vond het zo’n toepasselijk stukje, dat ik het uitgebreider weergeef.Wat er aan het laatste hoofdstuk van de De Kleine Prins, geschreven door Antoine de Saint-Exupéry, vooraf ging:
De verteller (een vliegenier) is in de Sahara woestijn neergestort en ontmoet daar de kleine prins die van alles heeft meegemaakt. De verteller gaat bijna dood van de dorst maar dan vind hij en de prins een bron. Na lang nadenken neemt de prins op een emotionele manier afscheid van de verteller. Hij legt uit dat ook al zal het lijken dat hij dood is, dat niet zo is, maar dat zijn lichaam te zwaar is om mee terug te nemen naar zijn planeet. Hij vermaant de verteller dat het niet goed van hem was om naar hem te komen kijken, omdat het hem verdrietig zal maken. De prins geeft de slang toestemming om hem te bijten, en de volgende morgen, als de verteller op zoek gaat naar de prins, ziet hij dat het lichaampje verdwenen is. Het verhaal eindigt met een tekening van een landschap waar de ontmoeting tussen de prins en de verteller plaatsvond en waar de slang de prins van zijn leven beroofde.

Hieronder volgt het (zeer toepasselijke ) laatste gedeelte van het boek:
Nederlandse vertaling van Claire van den Abbeele.
Hij zei: 'Ik ben blij dat je gevonden hebt wat er aan je machine mankeerde. Nu kun je naar huis...'
'Hoe weet je dat?' Ik had hem juist willen vertellen dat de reparatie me, tegen alle verwachting in, gelukt was!
Hij antwoordde niets op mijn vraag maar vervolgde: 'Ik ga vandaag ook naar huis...' En toen, wat bedroefd: 'Dat is veel verder en moeilijker...'
Ik voelde wel dat er iets wonderlijks aan het gebeuren was. Ik sloot hem vast in mijn armen als een klein kindje en toch was het alsof hij loodrecht weggleed in een afgrond zonder dat ik er iets aan kon doen...
Zijn blik was ernstig, op de verte gericht: 'Dus ik heb je schaap en de kist voor het schaap - en ik heb je muilkorf...' En hij glimlachte verdrietig. Ik wachtte lang. Ik voelde dat hij langzamerhand warm werd: Arm klein kereltje, je bent geschrokken... ja, hij was zeker geschrokken! Maar hij lachte zachtjes.
'Vanavond krijg ik een nog veel ergere schrik...'
En weer bekroop mij het gevoel van iets onafwendbaars. Ik begreep dat ik de gedachte niet kon verdragen die lach nooit meer te zullen horen. Die lach was voor mij als een bron in de woestijn. ‘Klein kereltje, ik wil je nog eens horen lachen...’
Maar hij zei: 'Vannacht is het een jaar geleden. Dan staat mijn ster precies boven de plek waar ik verleden jaar gevallen ben.'
'Kereltje', zei ik, 'is het niet alles een boze droom, je afspraak met de slang en die ster...'
Maar hij beantwoordde mijn vraag niet en zei: 'Het belangrijkste kun je niet zien... ja zo is het... - Net als met de bloem. Als je van een bloem houdt die op een ster woont, dan is het heerlijk om 's nachts naar de hemel te kijken - dan zijn alle sterren met bloemen versierd.
- Ja zeker... - Net als met het water. Het water waar je mij van liet drinken was als muziek - dat kwam van de katrol en het touw... weet je nog wel... hoe lekker het was.
- Ja zeker... - Je moet 's nachts naar de sterren kijken. De mijne is te klein om je te wijzen waar ze is. Dat is ook beter zo. Voor jou is dan mijn ster één van de vele sterren. Je zult het prettig vinden alle sterren te bekijken... Alle sterren zullen je vrienden zijn... En ik zal je ook nog iets geven. Hij lachte weer.
- Och kereltje, kereltje wat hoor ik je graag lachen!
- Dat is juist mijn cadeau... net als het water...
‘Wat bedoel je?’
- Voor mensen hebben de sterren een verschillende betekenis. Voor sommige mensen die veel reizen dienen de sterren als gids. Voor anderen zijn het alleen maar lichtjes. Weer anderen, de geleerden, zien er grote vraagstukken in. Voor die zakenman die ik ken waren ze van goud. Maar al die sterren zwijgen. Jij zult sterren hebben zoals niemand anders heeft...
'Wat bedoel je toch?'
'Als jij 's nachts naar de hemel kijkt zal het zijn alsof alle sterren lachen omdat ik een ster bewoon en omdat ik lach!' En weer lachte hij. 'En als je eenmaal getroost bent (de mensen troosten zich altijd) dan zul je heel blij zijn, dat je me gekend hebt. Je zult altijd mijn vriend zijn en je zult met me mee willen lachen. En dan zul je van tijd tot tijd voor je plezier het raam open doen... En je vrienden zullen heel verbaasd zijn je te zien lachen, als je naar de hemel kijkt. Dan zeg je tegen ze: 'Ja, om de sterren moet ik altijd lachen!' En ze zullen denken, dat je gek bent - dan ben je er door mij lelijk ingelopen... '
En weer lachte hij.
'Het zal net zijn of ik je in plaats van sterren een massa rinkelbelletjes heb gegeven...'
Hij lachte nog eens maar werd toen ernstig: 'Vannacht... weet je... moet je maar niet komen.'
'Ik blijf bij je.'
'Het zal zijn alsof ik pijn heb, een beetje alsof ik sterf. Zo is het nu eenmaal. Kom daar maar niet naar kijken. Het is de moeite niet waard...'
'Ik blijf toch bij je...'
Maar hij was bezorgd. 'Ik zeg je dat vanwege de slang. Jou moet hij niet bijten... Slangen zijn kwaadaardig, soms bijten ze voor hun plezier.'
'En toch blijf ik bij je.' Er was iets dat hem geruststelde:
'Het is waar, dat ze geen gif meer overhouden voor een tweede beet...'
Die nacht merkte ik niet dat hij op weg ging. Muisstil was hij me ontsnapt. Toen het me gelukte hem in te halen liep hij met grote vlugge stappen. Hij zei alleen: 'O, ben je daar...' En hij nam mijn hand maar zei toch nog: 'Je hebt ongelijk. Je krijgt verdriet. Het zal lijken alsof ik dood ben en dat is niet zo...' Ik zweeg.
'Begrijp je het niet? Het is te ver. Ik kan dit lichaam niet meenemen. Het is veel te zwaar.'
Ik zweeg.
'Het zal niet anders zijn dan een oud omhulsel dat weggegooid wordt. Daar is niets verdrietigs aan.'
Ik zweeg.
Hij verloor een beetje de moed maar spande zich nog eens in.
'Het zal heel aardig zijn weet je. Ik zal ook naar de sterren kijken en voor mij zal elke ster een put zijn met een roestige katrol...'
Ik zweeg.
'Wat zal dat grappig zijn! Jij krijgt vijfhonderd miljoen rinkelbelletjes en ik vijfhonderd miljoen
putten...'
En toen zweeg hij ook omdat hij moest huilen... 'We zijn er. Laat me nu even een stap alleen doen.'

En hij ging zitten omdat hij angstig was. Toen zei hij weer: ' Weet je... die bloem van mij... daar ben ik verantwoordelijk voor! Ze is zo zwak! En zo goedgelovig. Ze heeft vier doornen van niets als bescherming tegen de hele wereld...'
Ik ging zitten omdat ik me niet langer staande kon houden.
Hij zei: 'Zo... dat is alles.'
Even aarzelde hij nog, stond toen op en deed een stap vooruit.
Ik voelde me verstijven. Even was er een gele flits bij zijn enkel. Hij bleef een ogenblik onbeweeglijk staan. Hij gilde niet maar viel langzaam neer, als een boom. Er was zelfs geen geluid te horen, door het zand.
En nu is het dus, o ja, alweer zes jaar geleden... Ik heb dit verhaal nog nooit verteld. Toen mijn vrienden me terugzagen, waren ze erg blij dat ik nog leefde. Ik was verdrietig, maar ik zei maar dat het vermoeidheid was... Nu ben ik een beetje getroost. Niet helemaal. Maar ik weet wel, dat hij aangekomen is op zijn planeet want zijn lichaam heb ik 's morgens niet teruggevonden. Het was niet zo 'n zwaar lichaam. En ik vind het heerlijk 's nachts naar de sterren te luisteren. Net vijfhonderd miljoen rinkelbelletjes...
...
Voor mij is dit het lieflijkste en meest trieste landschap van de wereld.Het is identiek aan de tekening op de vorige bladzijde, maar ik heb het opnieuw getekend zodat je het kunt onthouden.
Het was hier dat de kleine prins op aarde verscheen, en verdween.
“Je kunt alleen scherp zien met je hart.
Met je ogen kun je niet zien wat belangrijk is. “
Na’il had het vermogen om mensen aan te voelen en zag dingen die wij meestal misten. Dat kwam omdat hij met zijn hart keek!




















